Juliette Herman (1907-1945)

Wie was Juliette Herman (1907-1945)?

Juliette Herman.portrait  Juliette Herman werd geboren in Brussel op 4 januari 1907. Op 12-jarige leeftijd verloor ze haar beide ouders.

Op 25 maart 1919 kwam ze naar het Weeshuis van de Kortenberglaan samen met haar twee jaar oudere zus Marguerite.

Daar verbleef ze tot ze 18 was. Gedurende deze periode startte ze ook studies om kleuterleidster te worden. Deze studies ronde ze briljant af.

Een jaar lang was ze als kleuterleidster actief in het Zeepreventorium te Klemskerke.

Vanaf 1926 geeft ze les in het hartje van de Brusselse Marollen, namelijk in de “Jardin d’enfants nr. 5“ van de Bloemistenstraat.

In het midden van de 30-er jaren werd ze lid van het “De wereldcommissie van Vrouwen tegen de Oorlog en het Fascisme”.

Ze verdedigde de rechten van de vrouwen van gevangenen en organiseerde collectes van klederen en voedsel om de levensomstandigheden van deze vrouwen en kinderen alsook van vluchtelingen te verbeteren.

Bij het begin van WO II werd ze “vanzelfsprekend” lid van de weerstand.

In september 1941 organiseerde ze, samen met andere vrouwen een betoging tegen de tekortkomingen in de voedselverdeling. Ze gebruikten slogans als “Brood en Melk voor onze Kinderen”, en “Aardappelen en Brood”. Deze slogans vielen niet in goede aarde bij de bezettingsmacht. Ze werd door de politie gefotografeerd aan de kop van een betoging en verraden aan de Gestapo.

Daarop organiseerde de Gestapo een inval in haar appartement in de Watteeustraat. Dit appartement lag vol pamfletten, clandestiene kranten, een schrijfmachine enz. ze had geen andere schuilplaats hiervoor gevonden. In deze periode was ze net een andere betoging aan het voorbereiden die de incoherentie op de korrel nam tussen enerzijds de voedseltekorten en anderzijds de hebzucht van de bezettingsmacht.

Verscheidene bronnen stellen dat Juliette er nog in slaagde vanop haar balkon een vriendin, die net bij haar aanbelde, te verwittigen dat de Gestapo in het huis was. De vriendin kon ontvluchten.

Juliette daarentegen werd gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis en later in deze van Vorst. Drie maand later werd ze door een Duits Tribunaal tot 12 jaar dwangarbeid veroordeeld.

Op 15 januari 1942 werd ze gedeporteerd naar Duitsland en opgesloten in de gevangenis van Krefeld. Begin 1944 werd ze overgebracht naar de gevangenis van Jawor in Silezië.

Medegevangenen getuigden dat ze steeds haar moreel hoog hield en de zwakste onder de gevangenen hielp. Dit kostte haar herhaaldelijk de straf van eenzame opsluiting.

Op 28 januari 1945, wanneer de bevrijding reeds nabij was, stuurde de SS haar – samen met 1.100 andere gevangenen – weg uit Jawor en verplichtte haar tot een mars door sneeuw en koude (tot -25·C).

Na 9 dagen kwam ze in het concentratiekamp van Gőrlitz aan waar ze stierf op 12 februari 1945. Ze werd amper 38 jaar.